OriginLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘edel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
- eerbiedwaardig.
“Hij heeft een nobele daad verricht.”
“Hebt u het portret gezien boven de haard? U herkent zonder twijfel de markante en nobele trekken van Niccoló Paganini. Ik zal de eerste zijn om uw gelijk te beamen wanneer u zegt dat het in schilderku”
Formsnobeler(uninflected, comparative) · nobelst(uninflected, superlative) · nobele(inflected, positive) · nobelere(inflected, comparative) · nobelste(inflected, superlative) · nobels(partitive, positive) · nobelers(partitive, comparative)
Source: Wiktionary — CC BY-SA 4.0