nort, /ˈno̝ːrt/, /ˈnoːrt/
Originerfwoord afkomstig van :
- in de richting van de pool die in de Noordelijke IJszee gelegen is; wanneer je in de richting van opkomende zon kijkt, links
“De wind draaide van noord naar west.”
“De buurstaat Oregon daarentegen liep ik in drie weken van zuid naar noord.”
“"Dat wordt straks wel even wennen", zegt machinist Jos van der Veen tegen RTV Noord. Hij had gisteravond zijn laatste rit naar het "oude hoofdstation"". "Ik vind het mooi om een stukje spoorweggeschie”
- Noorden, als aanduiding van een gebied dat in het Noorden ligt; de precieze betekenis hangt af van de context
“Ellen woont al heel lang in de binnenstad, maar ze is ooit in Noord geboren.” — een stadsdeel
“Als het gaat om de wereldhandel hebben Noord en Zuid elkaar nodig.” — de meer ontwikkelde landen
- rivier in Zuid-Holland
“De Noord is een druk bevaren rivier.”
FormsNoords(possessive)