ˈpatər
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘priester’ voor het eerst aangetroffen in 1469
- priester die tot een rooms-katholieke kloosterorde behoort
“Paus Franciscus heeft zijn afschuw uitgesproken over de moord op de Nederlandse pater Frans van der Lugt.”
“Deze documentaire weergaf het verhaal van een man die in zijn jeugd ernstig misbruikt werd door een pater.”
Vormenpaters(plural) · patertje(diminutive, singular) · patertjes(diminutive, plural)