ˈpɪnda
HerkomstLeenwoord uit het Papiaments pinda, in de betekenis van ‘olienootje’ voor het eerst aangetroffen in 1740
- Arachis hypogaea, een tot de vlinderbloemenfamilie behorende plant
- een peulvrucht van deze plant
“Rond elf uur hield ik het niet meer en nam één hap van mijn Snicker. Ik kauwde zorgvuldig om optimaal te genieten van de nougat, pinda’s, karamel en melkchocolade.”
Vormenpinda's(plural) · pindaatje(diminutive, singular) · pindaatjes(diminutive, plural)