ˈpitsa, /ˈpitsa/, /ˈpidza/
Originvan Italiaans pizza, in de betekenis van ‘hartige koek’ voor het eerst aangetroffen in reisverslagen van de 19e eeuw, zie vindplaatsen hieronder.
- gerecht van een belegde broodbodem
“Als je wat wilt eten, neem je maar een pizza.”
“We bestelden pizza en dronken op het leven met een lokaal biertje.”
“Ik had al wel genoeg hamburgers en pizza’s gegeten de afgelopen tijd.”
Formspizza's(plural) · pizzaatje(diminutive, singular) · pizzaatjes(diminutive, plural)