prɛis
Herkomst[1], [2]: via Middelnederlands prise "lof, waarde" van Oudfrans pris dat teruggaat op Latijn pretium zn "prijs, waarde, beloning"; in de betekenis van ‘kosten’ voor het eerst aangetroffen in 1250
- het bedrag (meestal in geld) dat betaald wordt voor een goed of een dienst
“De prijzen zijn deze winter sterk gestegen.”
“Made in China: De prijs lijkt niet de enige reden te zijn dat Chinese auto's steeds populairder worden in Europa. Het imago van made in China lijkt in een relatief korte tijd volledig te zijn verander”
“In 1989 nam Henriroux de zaak over. 'We zijn trots op onze geschiedenis, maar proberen altijd vooruit te denken', zegt hij. Henriroux opende een hotel en een tweede restaurant waar je goed kunt eten t”
- een uitzonderlijke beloning, bijvoorbeeld voor een bepaalde prestatie
“Hij won de tweede prijs in de loterij.”
- obsoletebuitgemaakt schip
“Item oock naederhandt op den 10 February als wanneer uyt d'opperhooffden van dien verstonden, dat deselve omtrent de cust van Brasil op omtrent 12 graden Z.breete een Portugese neger prijs (comende va”
- niet financiële kosten van iets
“Het komt allemaal goed.” Maar wat als het niet goed gaat? Klimmen heeft af en toe ook een prijs.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prijzen
- form-ofgebiedende wijs van prijzen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prijzen
Vormenprijzen(plural) · prijsje(diminutive, singular) · prijsjes(diminutive, plural)