/ˈradijo/
Herkomstvan Engels radio, in de betekenis van ‘draadloze omroep’ aangetroffen vanaf 1904
- toestel dat uitgezonden radiogolven kan ontvangen en omzetten in geluid
“De radio kraakt, hij moet nog ingesteld worden.”
- medium om informatie en amusement uit te zenden
“De mensen hoorden het vreselijke nieuws op de radio.”
“Op dinsdag 10 februari werd er opnieuw via de landelijke radio een oproep gedaan, als rectificatie van het eerdere bericht van vrijdag de 6de, toen de boodschap niet correct was uitgezonden.”
“Dat was op de radio geweest, en het had op de voorpagina's gestaan van de kranten die haar vader had meegenomen uit Malaga.”
- radioprogramma
- draadloze telegrafie of telefonie
Vormenradio's(plural) · radiootje(diminutive, singular) · radiootjes(diminutive, plural)