/ˈreɣəɫ/
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘lijn’ voor het eerst aangetroffen in 1236
- een horizontaal stuk tekst op een bladzijde
“In 2002 en 2003 trok ik intensief op met Muskee, omdat ik zijn biografie schreef. Hij nam me mee op autoritten, waarbij hij veel klassieke muziek liet horen. Hij was verknocht aan Drenthe en liet mij ”
- een vers in een gedicht, versregel
- een voorschrift, richtlijn, norm, standaard
“Er waren maar drie regels in haar Hippie Daycare: iedereen moest een Hawaii shirt aan tijdens het verblijf in haar tuin, je kon tegen een”
- een houten lat of rib van een bepaalde afmeting
“zullen we vandaag het regelwerk aanbrengen, Jan?
Dan kunnen we daar morgen de gipsplaten op vastzetten”
- afspraak; regeling
“Maar pas in 1868 ontstond de vertrouwensregel, een regel van ongeschreven Staatsrecht waardoor de ministeriële verantwoordelijkheid echt betekenis kreeg.”
“Alleen dan kan namelijk tot een objectieve regel worden gekomen, vrij van persoonlijke inkleuringen.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van regelen
- form-ofgebiedende wijs van regelen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van regelen
Vormenregels(plural) · regelen(plural) · regeltje(diminutive, singular) · regeltjes(diminutive, plural)
Bron: Wiktionary