/reχən/
HerkomstIn de betekenis van ‘neerslag’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
- neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
“Na deze lange droogte kunnen we best wat regen gebruiken.”
“Een zwart-wit beeld uit de jaren vijftig van de vorige eeuw: regen op het Lodewijk Napoleonplein in Assen, een man met een paraplu laat zijn honden uit, huizen van baksteen onder steile driehoekige da”
“Wat was het raar om mijn paraplu opeens tegen de regen te moeten gebruiken in plaats van tegen de zon.”
- form-ofmeervoud verleden tijd van rijgen
“Wij regen.”
“Jullie regen.”
“Zij regen.”
- gebiedende wijs van regenen
Vormenregens(plural) · regentje(diminutive, singular) · regentjes(diminutive, plural)