ˈrudə
Herkomsterfwoord via Middelnederlands roede van Oudnederlands ruoda, in de betekenis van ‘stok’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw
- bundel takken waarmee geslagen kan worden
“'Een schrik voor de meisjes. Toch was die roede warempel geen verbeelding.”
- holle of massieve (metalen) staaf
- obsoletelengtemaat die qua afmeting verschilde van plaats tot plaats
- obsoleteoppervlaktemaat die qua afmeting verschilde van plaats tot plaats
- obsoleteinhoudsmaat die qua omvang verschilde van plaats tot plaats
- figurativelypenis
Vormenroedes(plural) · roeden(plural) · roedetje(diminutive, singular) · roedetjes(diminutive, plural)