/ˈroːkə(n)/
- unergativerook afgeven
“Die schoorsteen rookt geweldig.”
- transitivenuttigen door het inhaleren van de rook ervan
“Hij kan het roken niet voor een dagje laten.”
“In verschillende landen is het bij wet verboden te roken in openbare gebouwen.”
“De gesprekken met deze dames waren diepgaander, maar voor de rest vloekten ze evenveel als de gemiddelde man, lieten ze evenveel scheten, rookten ze evenveel wiet en liepen ze even hard.”
- transitiveconserveren door langdurige blootstelling aan rook.
“Hij at paling die lang had liggen roken.”
- form-ofmeervoud verleden tijd van ruiken
“Wij roken.”
“Jullie roken.”
“Zij roken.”
- form-ofmeervoud verleden tijd van rieken
“Wij roken.”
“Jullie roken.”
“Zij roken.”
- historical, transitivestapelen in oppers
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord rook
Vormenrookte(past) · gerookt(past, participle) · te roken(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen roken(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen roken(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gerookt(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gerookt(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gerookt zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gerookt te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · rokend(imperfect, participle) · ev.
rook(imperative) · roke(subjunctive) · rook(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · rookt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · rookt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · rookte(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · rookte(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · rookte(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · rookten(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · rookten(indicative, imperfect, past, plural, second-person)