ˈrɔtə
HerkomstIn de betekenis van een “groepje zwijnen”, ontleend aan Duits Rotte.
- form-ofverbogen vorm van de stellende trap van rot
- een groep wilde zwijnen geleid door een matriarch
“⧖ Er vielen eenige schoten bij den stamhouder, zooals later bleek, missers op een rotte zwijnen en eenige rake kogels op een tweetal varkens bij de andere schutters.”
- form-ofenkelvoud verleden tijd van rotten
“Ik rotte.”
“Jij rotte.”
“Hij, zij, het rotte.”
- form-ofaanvoegende wijs van rotten
- riviertje in Zuid-Holland waaraan Rotterdam zijn naam dankt
“In 1270 werd er een dam in de Rotte gelegd om het Maaswater buiten te houden.”