sxɔp
- een graafwerktuig
“Om dat het veld met de schop om te spitten is een heel karwei.”
- bijgebouw bij de boerderij
“In de open schop bij de boerderij werd turf opgeslagen.”
- gewoonlijk schoppen, een van beide zwarte speelkleuren, ♠
“Ik kon gelukkig op die ingetroefde slag mijn vuile schopje kwijt.”
- trappende aanraking met de voet
“Ik heb hem daarop een grote schop verkocht.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schoppen
- form-ofgebiedende wijs van schoppen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schoppen
Vormenschoppen(singular) · schopje(diminutive) · schopjes(diminutive, singular) · [B] schop(canonical)