ˈtorᵊn
Herkomstgeen meervoud; erfwoord via Middelnederlands toren van Oudnederlands torn, in de betekenis van ‘woede’ aangetroffen vanaf de tweede helft van de 12e eeuw
- hevige boosheid
“Men vreze de toorn van God.”
“Het is bijvoorbeeld geen geheim dat er regelmatig mensen uit het raam vallen die zich de toorn van het Kremlin op de hals hadden gehaald.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toornen
- form-ofgebiedende wijs van toornen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toornen