sxɔt
HerkomstIn de betekenis van ‘belasting’ voor het eerst aangetroffen in 1176
- neuter: het afvuren van een projectiel
“" Koning Willem-Alexander opende het schuttersfeest door een schot te lossen.”
“'Isaac„' Het schot klonk op aan de andere kant van de kerkbanken, en toen nog een en nog een.”
- neuter: een afscheidende tussenwand
“De tafels zijn hoopvol gedekt voor het diner, maar truckersrestaurant Le Mistral straalt een zekere mismoedigheid uit. Een kapotte ruit is vervangen door een houten schot. Op de parkeerplaats ter groo”
- feminine: vrouwelijk rund dat tweemaal gekalfd heeft
- een persoon afkomstig uit Schotland
“De Schotten wisten door Wallace en Robert de Bruce nog lang hun onafhankelijkheid te bewaren.”
Vormenschoten(singular) · schotje(diminutive, first-person) · schootje(diminutive, first-person) · schotjes(diminutive, singular) · schootjes(diminutive, singular) · schotten(singular) · schotje(diminutive, second-person) · Schotten(plural) · Schotje(diminutive, singular) · Schotjes(diminutive, plural)