ˈskorə
OriginLeenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘uitslag’ voor het eerst aangetroffen in 1889
- het aantal behaalde punten
“Je score voor dit spel is 15 punten.”
“Nederland won uiteindelijk toch door een daverende score bij de tv-kijkers thuis. Van het publiek kreeg hij 261 punten, waarmee hij tweede werd achter Noorwegen.”
- de puntenverhouding in een wedstrijd
“De score was na twintig minuten nog steeds 1-1.”
- form-ofaanvoegende wijs van scoren
Formsscores(plural) · scoretje(diminutive, singular) · scoretjes(diminutive, plural)
Source: Wiktionary — CC BY-SA 4.0