smak
HerkomstIn de betekenis van ‘zintuig om te proeven’ voor het eerst aangetroffen in 1100
- zintuig waarmee men mee proeft
“'Maar nu zie ik dat Brandt bij zijn keuze van een echtgenote evenveel smaak heeft als op andere gebieden.”
- gewaarwording bij het proeven van eten en drank
“Het duurde even voordat ik de smaak kon plaatsen.”
“Dat heeft Van de Laar overgenomen van Boer, zegt hij. "Ik sta, terwijl ik met jullie spreek, buiten kruiden te plukken. Wat ik van hem heb geleerd, is altijd werken met pure smaken en met de natuur om”
- figurativelybepaalde subjectieve voorkeur
“Dat is niet naar mijn smaak.”
“' 'Misschien hield hij niet van de smaak van magere meisjes,' zei Isaac.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smaken
- form-ofgebiedende wijs van smaken
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smaken
Vormensmaken(plural) · smaakje(diminutive, singular) · smaakjes(diminutive, plural)