/ˈɛɪʃə/
Herkomstalleen verkleinwoord: afgeleid van ijs zn met het achtervoegsel -je
- portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
“Ik was overdonderd door alle toeristen in het bezoekerscentrum. Ze arriveerden in bussen, maakten foto’s, kochten ijsjes en snelden in hun witte shirts door naar een volgende attractie.”
Vormen(ijs)(singular) · ijsjes(diminutive, plural)