stɑmp
Herkomstzn: van Middelnederlands stamp; naamwoord van handeling van stampen ww (zonder -en)
- informalram, trap, schop
“(Amsterdammer:) Moet je een stamp voor je kop?”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stampen
- form-ofgebiedende wijs van stampen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stampen
Vormenstampen(plural) · stampje(diminutive, singular) · stampjes(diminutive, plural)