/stot/
- een kracht van korte duur die tegen iets of iemand aan wordt uitgeoefend
“Hij gaf hem een flinke stoot.”
“Hoewel Joy daarstraks nog in een halve coma verkeerde, schuifelt ze nu opeens ook de ontbijtzaal binnen en geeft me een stoot terwijl ze naar haar telefoon staart.”
- een kortdurende dosis
“Er schoot een stoot adrenaline door mijn lijf en ik bleef doodstil staan.”
- een ongelooflijke en vaak toevallige gebeurtenis
- informalaantrekkelijk, knap iemand
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van stoten
- form-ofgebiedende wijs van stoten
“Om mezelf af te leiden stoot ik een Griek met een brede snor aan die naast me staat te wachten.”
“'Ga je naar Italië voor werk?' 'Nee, we gaan wan ' Ik stoot Lot aan.”
Formsstoten(plural) · stootje(diminutive, singular) · stootjes(diminutive, plural)