/ˈtafəɫ/
Herkomstvan Latijn tabula, in de betekenis van ‘meubelstuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
- een meestal rechthoekig, soms rond meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
“Zullen we de tafel buiten zetten? Dan kunnen we vanavond buiten eten.”
“Vader, moeder en de kinderen zitten rond de tafel om een spelletje te spelen”
- register1, lijst1, tabel
“Oorspronkelijke aanwijzende tafel der grondeigenaren en der ongebouwde en gebouwde vaste eigendommen, benevens van derzelver inhouds-grootte, klassering en belastbaar inkomen, volgens het kadaster (Do”
- rekenreeks
“In de lagere school leert men de tafels van vermenigvuldiging”
- plat stuk materiaal, plaat1, paneel, vlak
“De objecttafel is het deel van de microscoop waar het preparaat op gelegd wordt. (In deze betekenis anno 2012 nog gangbaar)”
“Een tafelberg is een berg met een vlakke top”
“Toen hieuw hij twee stenen tafelen, gelijk de eerste (Exodus 34:4)”
- obsoleteschilderij, in deze betekenis afgeleid van plank, plaat. Vgl. tafereel
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tafelen
- form-ofgebiedende wijs van tafelen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tafelen
Vormentafels(plural) · [2] tafelen(plural) · tafeltje(diminutive, singular) · tafeltjes(diminutive, plural)