/ˈtaːkə(n)/
Originww erfwoord Ontwikkeld uit Middelnederlands taken, uit Germaans *takan- “aanraken”. Verwant aan o.a. Engels take, Zweeds taga, Noors taka, Gothisch tekan.
- obsoleteaanraken
“⧖ Toevallig taakte Mevrouw Fantin's voet den zijnen, onder de tafel, bleef een wijl er tegen aandrukken.”
- obsoletegrijpen, nemen
“⧖ Zo dat haar hart in weêrmin blaakte.
Kupido quam weer in den Hout;
De bontjes kleêren, die hy taakte,
Heeft hy weer netjes opgevouwd;”
- obsoletekrijgen
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord taak
“De bemanning vervult de laatste taken van de dag.”
“Aan de taken en bevoegdheden van de uitvoerende macht is geen expliciete bepaling gewijd.”
“Iedereen had duidelijke taken, ik moest altijd afwassen.”
Formstaakte(past) · getaakt(past, participle) · te taken(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen taken(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen taken(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben getaakt(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben getaakt(active, infinitive, perfect, present, long-form) · getaakt zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · getaakt te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · takend(imperfect, participle) · ev.
taak(imperative) · take(subjunctive) · taak(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · taakt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · taakt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · taakte(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · taakte(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · taakte(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · taakten(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · taakten(indicative, imperfect, past, plural, second-person)