tœys, /tœʏs/, /tœːs/
HerkomstSamentrekking van te-huis.
- een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
“Hier vindt zelfs deze zeldzame vlinder een thuis.”
“` Welke plek noemde jij thuis voordat je hier kwam?'
`De woestijn,' zei hij. 'Maar meneer Montebello heeft ervoor gezorgd dat ik de woestijn ben vergeten. Ik ben hem daar dankbaar voor.'”
“Thuis had ik een systeem in elkaar geknutseld met klittenband die de paraplu aan mijn rugzak bevestigde, waardoor ik mijn handen vrijhield voor mijn wandelstokken.”
- op de eigen stek
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
“thuisbrengen: Hij bracht zijn moeder even thuis.”
Vormenthuisje(diminutive, singular) · thuisjes(diminutive, plural)