ˈvila
HerkomstLeenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘landhuis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824
- een groot en vrijstaand huis
“Hij woont in die grote villa daar.”
“Het Grand Hotel was al in 1893 klaar, het sanatorium tien jaar later, aan de zuidkant van de spoorweg werden grote villa's gebouwd, de huizen van de arbeiders kwamen aan de noordkant.”
“In de villa tegenover me was het donker en stil.”
Vormenvilla's(plural) · villaatje(diminutive, singular) · villaatjes(diminutive, plural)