vres
HerkomstIn de betekenis van ‘angst’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- formalhet gevoel dat iets gevaarlijk is of kan zijn
“Het was na al deze jaren nog steeds een gunst om hier alleen met haar te zitten, zo lang nadat hij in zijn jeugd heen en weer geworpen was tussen hoop en vrees. Niets had erop gewezen dat het mogelijk”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vrezen
- form-ofgebiedende wijs van vrezen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vrezen
“Vrees je?”
“Omdat ik ergens vrees dat het feit dat ze met z'n tweeën zijn op de een of andere manier niet 'eerlijk' uitvalt.”
“'Ik vrees van wel,' zegt Nella.”
Vormenvrezen(plural) · vreesje(diminutive, singular) · vreesjes(diminutive, plural)