/ʋaːrt/
- baas van een herberg, taveerne of café
- vlak land in een rivierengebied
- mannelijke eend
- predicatief: ~ zijn in geld uitdrukbaar zijn
“Dat huis is veel minder waard geworden.”
“Eigenlijk wil ik het ook niet verkopen, maar als het iets waard is, dan kan het me op weg helpen, snap je.”
“Op een dag zal Jacob een huis krijgen dat dan meer dan een half miljoen gulden waard is, en Thea profiteert van die waarde en van zijn eerdere investeringen in het pand.”
- predicatief: ~ zijn anders dan financieel belang hebben
“Hij is wel wat beter maar nog steeds niet veel waard.”
“Ze klinken warm, ze krijgt het idee dat ze erbij hoort! Ze geven haar het gevoel dat al haar inspanningen en twijfels over haar komst de moeite waard zijn geweest.”
“De vrouw lijkt te weten welke chaos er onder de oppervlakte kolkt, maar helaas lijkt ze ook te weten wat ze waard is.”
- geacht, beste
Vormenwaarden(singular) · waardje(diminutive) · waardjes(diminutive, singular) · [D] waard(canonical)