ˈwaɣə(n), /ˈʋaːχə(n)/, /ˈʋaːɣə(n)/
HerkomstIn de betekenis van ‘voertuig’ aangetroffen vanaf 838
- kar
“De laatste keer dat ik een poging had willen wagen was tijdens dat etentje bij mij thuis, op die bewuste avond.”
“De laatste keer dat ik een poging had willen wagen was tijdens dat etentje bij mij thuis, op die bewuste avond.”
- auto
“Hij vertrekt en keert zijn wagen op de brede weg.”
“Teresa hoorde de mannen uit de wagen springen en de achterklep openmaken.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord waag
- transitiveiets riskants ondernemen
“Er werd een poging gewaagd de rivier over te steken.”
“Ondanks alle verboden wagen een paar muzikanten zich later die avond op straat om voor geld een deuntje ten gehore brengen.”
- transitiveiets ondernemen waarvan je niet zeker bent dat het zal lukken`
“De laatste keer dat ik een poging had willen wagen was tijdens dat etentje bij mij thuis, op die bewuste avond.”
“Ik liep ten slotte bijna elke dag dezelfde afstand als een marathon, dus dacht ik een kansje te kunnen wagen.”
- reflexivezich ~: een risico op zich laden
“Daar waagde hij zich niet aan.”
Vormenwagens(plural) · wagentje(diminutive, singular) · wagentjes(diminutive, plural)