ˈwakə(n), /ˈʋa.kə(n)/, /ˈβ̞a.kə(n)/
HerkomstIn de betekenis van ‘niet (gaan) slapen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord wake
- unergativeopzettelijk wakker zijn
“`Als andere mensen slapen, wat doet u dan? 'Als andere mensen slapen, dan waak ik.' Toen ik het zei, wist ik dat dit het enige juiste antwoord was.”
- obsolete, unergativewakker zijn
“Overdag moet je niet slapen maar waken.”
- unergativebij een stervende zitten
“In de lange uren die zij bij haar moeder heeft zitten waken, hebben zij veel met elkaar goedgemaakt.”
- unergative~ over: letten op, beschermen.
“De twintig belangrijkste industrielanden, de G20, zullen voortaan samen over de economie waken.”
“Het is bijna alsof ik het gevoel heb dat de maan en de sterren over mij waken tijdens de avonturen in mijn leven.”
Bron: Wiktionary