ˈweɣə(n), /ˈʋeχə(n)/, /β̞eɣə(n)/
HerkomstIn de betekenis van ‘zwaar zijn, de zwaarte bepalen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- transitivehet gewicht/de massa bepalen
“Volgens de zegsman van Pepys liet de koning zich uit nieuwsgierigheid voor en na iedere tenniswedstrijd wegen om te zien hoeveel gewicht hij had verloren.”
- unergativeeen bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
“‘Mijn rugzak woog wel 20 kilo, en nu loopt iedereen met dat ultralichte spul.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord weg
“Vooral de secundaire informatie van Guthook was voor mij van groot belang. Alle relevante informatie over de trail werd aangegeven, zoals geschikte slaapplaatsen, wegen, dorpen en alle waterbronnen.”
“De ongeveer 18.000 supporters die terugkwamen vanuit De Kuip zorgden vannacht nog wel voor grote drukte op de wegen richting Deventer. Volgens De Stentor stond het op en rondom een bedrijventerrein la”
Vormenwoog(past) · gewogen(past, participle) · te wegen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen wegen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen wegen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gewogen(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gewogen(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gewogen zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gewogen te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · wegend(imperfect, participle) · ev.
weeg(imperative) · wege(subjunctive) · weeg(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · weegt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · weegt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · woog(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · woog(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · woogt(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · woog(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · wogen(indicative, imperfect, past, plural, first-person)