ˈwɛidə
Originerfwoord via Middelnederlands weide van Oudnederlands weda / wetha, in de betekenis van ‘grasland’ aangetroffen vanaf 901
- een stuk grasland, gewoonlijk bedoeld voor het begrazen door vee of als maaiveld
“In de weide achter het huis waren er altijd lammetjes in het voorjaar.”
“Ondertussen was de herfst in Washington overal zichtbaar om me heen en op de heuvels zag je een lappendeken aan kleuren: rode herfstbladeren, weelderige okergele weiden, mosgroene bossen, turquoise me”
- form-ofaanvoegende wijs van weiden
Formsweiden(plural) · weides(plural)