ˈwevə(n), /ˈʋe.və(n)/, /ˈweː.və(n)/
OriginIn de betekenis van ‘draden e.d. dooreenvlechten’ voor het eerst aangetroffen in 1240.
- transitiveeen weefsel vervaardigen door lengte- en dwarsdraden in elkaar rechthoekig te vlechten
- schrijfwijze voor weiven ‘heen en weer bewegen, zwaaien’
Formsweefde(past) · geweven(past, participle) · te weven(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen weven(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen weven(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben geweven(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben geweven(active, infinitive, perfect, present, long-form) · geweven zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · geweven te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · wevend(imperfect, participle) · ev.
weef(imperative) · weve(subjunctive) · weef(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · weeft(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · weeft(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · weefde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · weefde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · weefde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · weefden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · weefden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)