ˈwonə(n), /ˈʋo.nə(n)/, /ˈβ̞o.nə(n)/
OriginIn de betekenis van ‘gehuisvest zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
- unergativeeen permanente behuizing hebben
“In ons werkgebied wonen ongeveer 200.000 mensen.”
“Wonen op drie meter onder zeeniveau (NAP) is heel wat anders dan lopen op duizend meter boven de zeespiegel.”
“De zelf omgebouwde camper waar hij in woonde was van alle gemakken voorzien, maar hij was minder dan 800 euro per jaar kwijt aan vaste lasten.”
Formswoonde(past) · gewoond(past, participle) · te wonen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen wonen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen wonen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gewoond(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gewoond(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gewoond zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gewoond te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · wonend(imperfect, participle) · ev.
woon(imperative) · wone(subjunctive) · woon(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · woont(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · woont(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · woonde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · woonde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · woonde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · woonden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · woonden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)