zɑxt
OriginIn de betekenis van ‘niet hard’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
- gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
“Die hoed was gemaakt van zacht materiaal.”
“De zwart verkoolde buitenkant omhulde zacht, wit vlees.”
- het gemoed niet sterk aangrijpend
“Hij stierf een zachte dood.”
- zachtaardig
“Hij werkte in de zachte sector.”
- aangenaam voor de zinnen
“Al met al was het weer een zachte winter.”
- weinig geluidsvolume bevattend
“Dat is wel een erg zacht geluid.”
- geleidelijk
“Er vond een zachte verandering plaats.”
Formszachter(uninflected, comparative) · zachtst(uninflected, superlative) · zachte(inflected, positive) · zachtere(inflected, comparative) · zachtste(inflected, superlative) · zachts(partitive, positive) · zachters(partitive, comparative)