ˈzadəl
Herkomstvan Middelnederlands sadel, in de betekenis van ‘zitting’ aangetroffen vanaf 1270; in Oudnederlands als sadal aangetroffen als deel van een plaatsnaam, mogelijk van Oudslavisch sedlo
- zitplaats op de rug van een (rij)dier
- zitplaats op een (gemotoriseerde) fiets
- deel van een muziekinstrument waar de snaren strak over gespannen zijn, kam
- bergpas
“We moesten nog slechts enkele meters lopen totdat we het zadel van de Forester Pass hadden bereikt.”
- bevestiging voor kabels en leidingen
- lendenstuk (vgl. kalfszadel, lamszadel)
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zadelen
- form-ofgebiedende wijs van zadelen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zadelen
Vormenzadels(plural) · zadeltje(diminutive, singular) · zadeltjes(diminutive, plural)