ˈzaləx
HerkomstIn de betekenis van ‘lekker, zedelijk gelukkig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
- gerechtvaardigd tegenover God, doordat men van zonde bevrijd is
“Christenen verlangen ernaar zalig te worden door het geloof in de Christus.”
- bijzonder aangenaam, hemels
“We hebben een zalige vakantie gehad.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zaligen
- form-ofgebiedende wijs van zaligen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zaligen
Vormenzaliger(uninflected, comparative) · zaligst(uninflected, superlative) · zalige(inflected, positive) · zaligere(inflected, comparative) · zaligste(inflected, superlative) · zaligs(partitive, positive) · zaligers(partitive, comparative)