ˈzebra
OriginLeenwoord uit Portugees zebra ‘zebra’, ouder zevra, uit Oudportugees cebrario, ezebrario ‘wilde ezel’, ontwikkeld uit vulgair Latijn *eciferus, vervormd uit klassiek equiferus ‘wild paard’.
**[1] in de betekenis van ‘zwart-wit gestreepte paardachtige’ aangetroffen vanaf 1596.
**[2] in de betekenis van ‘oversteekplaats’ aangetroffen vanaf 1955.
- Equus snel, paardachtig kuddedier van de Afrikaanse steppen, gekenmerkt door zijn witte of lichtgele huid met zwarte of donkerbruine strepen, opstaande manen, tamelijk lange oren en zijn niet tot de wortel behaarde staart
- voetgangersoversteekplaats met witte strepen op de rijbaan
“Bij de zebra steken we over.”
Formszebra's(plural) · zebraatje(diminutive, singular) · zebraatjes(diminutive, plural)