ˈzekər, /ˈze.kər/, /ˈze.kər/
OriginLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘veilig, stellig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
- waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
“Het voortbestaan ervan werd door deze overwinning een stuk zekerder.”
“Ook is er kritiek op een van de oprichters van de zender, Lex Harding. Hij zegt in de documentaire dat hij zocht naar "lekkere wijven, mooie meiden om op televisie te presenteren". Hij erkent dat het ”
“Het enige wat ik zeker wist was dat ik absoluut Canada wilde bereiken.”
- een ~ een bepaalde, een of andere
“Hij werd door een zekere ziekte daarvan weerhouden.”
“Tot op zekere hoogte zei ik ermee dat ik vond dat ik serieus genomen moest worden.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zekeren
- form-ofgebiedende wijs van zekeren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zekeren
Formszekerder(uninflected, comparative) · zekerst(uninflected, superlative) · zekere(inflected, positive) · zekerdere(inflected, comparative) · zekerste(inflected, superlative) · zekers(partitive, positive) · zekerders(partitive, comparative)