ˈzemə(n), /ˈzemə(n)/, /ˈzemə(n)/
OriginAfgeleid van zeem met het achtervoegsel -en
- transitivehet droogwrijven van een pas gewassen glazen oppervlak met een stuk zeemleer
“Hij zeemde de ruiten van zijn auto.”
- van zeemleer vervaardigd
“Heb je een zemen lap voor me?”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord zeem
Formszeemde(past) · gezeemd(past, participle) · te zemen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen zemen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen zemen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gezeemd(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gezeemd(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gezeemd zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gezeemd te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · zemend(imperfect, participle) · ev.
zeem(imperative) · zeme(subjunctive) · zeem(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · zeemt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · zeemt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · zeemde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · zeemde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · zeemde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · zeemden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · zeemden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)