ˈbevər
Herkomsterfwoord via Middelnederlands bever van Oudnederlands bivur, in de betekenis van ‘knaagdier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 918
- benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor, met platte staart die meestal in het water vertoeven, Castor fiber of Castor canadensis
“Vol ongeduld wachten ze op topsoorten als otter en bever, ze gaan op zoek naar ringslangen en duiken onder water voor snoeken, ze speuren naar ringslangen en zilvermeeuwen.”
- jongste leeftijdsgroep bij de padvinders (6 - 8 jaren)
“Bevers mogen drie keer komen kijken voor ze besluiten om lid te worden van de scoutinggroep.”
- toponymicdorp en faciliteitengemeente in het zuidwesten van Vlaams-Brabant
Vormenbevers(plural) · bevertje(diminutive, singular) · bevertjes(diminutive, plural) · Bevers(possessive)