ˈhɑlvə
Herkomstbn: half bn met de uitgang -e waarbij de slotmedeklinker weer stemhebbend wordt
- form-ofverbogen vorm van de stellende trap van half
“Ik had de keuze om 10 kilometer terug te lopen naar een plek waarvan ik zeker wist dat er water was of 8 kilometer door te lopen naar het eerstvolgende beekje, dat echter ook opgedroogd zou kunnen zij”
“Bibi trekt met de punt van haar rechter gymp halve cirkeltjes in het zand.”
“Ik klauter over de rotsblokken, tot ik op het hoogste punt kom, waar de halve maan zijn blauwe schijnsel over het volgende dal legt.”
- obsoletesterk kant, zijde, richting
“Den Hertoghe/ van Hembyse deser sake halve seer geimportuneert zijnde/ antwoorde in toorn met dreygende woorden / seer heftich ende strenghe/ “Men sal de Previlegy-roepers wel vinden”, ende “Men sal s”
Bron: Wiktionary