ˈbezəm
Herkomstvan Middelnederlands bessem / beseme, in de betekenis van ‘werktuig om te vegen’ aangetroffen vanaf 1240; stamt af van Germaans *besmon, cognaat met Engels besom en Duits Besen
- voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
“Met een bezem veeg je vooral grof vuil bij elkaar.”
“Iets hiervan heeft nog lang geleefd in de `Sinterklaaskerels'. Het waren jongens in vrouwenkleren, zwaaiend met een bezem.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezemen
- form-ofgebiedende wijs van bezemen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezemen
Vormenbezems(plural) · bezempje(diminutive, singular) · bezempjes(diminutive, plural)