blɪnt
Herkomstbn, bw: erfwoord via Middelnederlands blint van Oudnederlands blint; als deel van plaatsnaam aangetroffen vanaf 901-950, in de betekenis van ‘niet kunnende zien’ aangetroffen vanaf 1240
- niet of vrijwel niet in staat om te zien
“De blinde man wachtte tot zijn hond begon met oversteken.”
- figurativelyniet bereid of in staat om met bepaalde informatie rekening te houden
“Doordat ze zo overtuigd zijn van het eigen gelijk, zijn ze blind geworden voor de eigen immoraliteit en hanteren ze dezelfde wapens als waar tegen ze strijden.”
“Hoe vaak ben ik ziende blind geweest? Te vaak, en ik blijf dingen over het hoofd zien.”
“Het was nog te vroeg om te weten of ik blind en/of dwaas was geweest om zo lang van huis te zijn. De tijd zou uitwijzen wat de gevolgen van mijn lange afwezigheid zouden zijn op mijn kinderen.”
- figurativelyblind (vertrouwen/haat/angst etc): een heel groot (vertrouwen/haat/angst) (dat op niets gebaseerd is)
“Beleggers lijken echter geen blind vertrouwen te hebben in de wijze waarop Arcelor daar van gaat profiteren.”
- figurativelyzonder openingen een blinde muur: een muur zonder ramen
- zonder naar de eigen vingers te kijken
“Ook al kan hij al sinds zijn achtste blind typen – een vaardigheid die hij al chattend en surfend met veel plezier onderhoudt – op school leert hij het schoonschrift uit mijn jeugd.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blinden
- form-ofgebiedende wijs van blinden
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blinden
Vormenblinder(uninflected, comparative) · blindst(uninflected, superlative) · blinde(inflected, positive) · blindere(inflected, comparative) · blindste(inflected, superlative) · blinds(partitive, positive) · blinders(partitive, comparative)