brɑnt, /ˈbrɑnt/, /ˈbrɑnt/
Herkomsterfwoord via Middelnederlands brant van Oudnederlands brant, als deel van toponiem aangetroffen vanaf 1001-1050, in de betekenis van ‘vuur’ aangetroffen vanaf 1240
- verbranding met vuur
“Er is een brand in de school.”
- figurativelyiets dat heel warm en schadelijk is
“Ik liep als het ware met een rasp in mijn achterste (chafing noemen ze dat in Amerika) wat verschrikkelijk veel pijn deed, het was alsof ik in brand stond. Zelfs met speciaal chafing-poeder (‘Anti Mon”
“Het werd haar bijna te veel; deze keer keek hij naar haar omdat hij dat wilde, en ze had het gevoel alsof haar hoofd in brand stond.”
“De stem van de vrouw was als een oergeluid dat weer tot leven was gekomen, en Olive stond op en dronk een vijfde glas bubbels - o nee, dit was geen champagne, dit was een of andere sterkedrank, vuurwa”
- figuratively, no-plural, obsoleteglanzende kling van een zwaard
- merk
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van branden
- form-ofgebiedende wijs van branden
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van branden
Vormenbranden(plural) · brandje(diminutive, singular) · brandjes(diminutive, plural) · brands(plural)