/broːt/
HerkomstIn de betekenis van ‘baksel uit gerezen deeg’ voor het eerst aangetroffen in 1101. Van Protogermaans *braudą. Mogelijk ook verwant met brouwen [1].
- een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
“Die bakker maakt een buitengewoon heerlijk brood.”
“U moet van juffrouw Maren trouwens droog brood en haring eten tot ik klaar ben met koken.”
“De zware tenten werden ontmanteld, matjes en slaapzakken opgerold en alle kleren in rugzakken gepropt. Er werd pap gekookt boven het houtvuur en een broodje voor de lunch bereid.”
- figurativelylevensonderhoud, beroepsmatige inkomsten
“Abraham Tuschinski behoorde echter tot een voorhoede die meer mogelijkheden zag – vooral toen steeds meer bedrijven brood zagen in het maken van langere films die een compleet verhaal ter lengte van e”
Vormenbroden(plural) · broodje(diminutive, singular) · broodjes(diminutive, plural)