brœyn
Herkomstvan Middelnederlands brun, bruun “bruin, donker, glanzend”, als kleurnaam aangetroffen vanaf 1210; uit Germaans *brūna-, verwant aan Duits braun, Engels brown, Fries brún
- kleur zoals die van koffie of chocola, tertiaire kleur die wordt verkregen door rood, geel en blauw te combineren
“Bruin is de kleur van aarde en dus de kleur die ons dichter naar de aarde toebrengt.”
“Dat bruin ziet er best mooi uit.”
“De victoriaanse tegels onder mijn blote voeten voelden koud aan; ik wriemelde met mijn tenen op het bruin en blauw.”
- paard, vooral een paard met een vacht in de kleur als van koffie of chocola
- met een kleur zoals die van koffie of chocola, in een tertiaire kleur die wordt verkregen door rood, geel en blauw te combineren
“Dat is een bruin huis!”
“Hij hield het in bruin papier gewikkelde pakje op en zei: 'Ik heb de meisjes met de leeuw bij me.”
“Aan de andere kant van de vallei zag ik opeens bruine stipjes bewegen in een veld vol bosbessen. Het waren twee zwarte beren die door de felle zon goudbruin waren verkleurd.”
- figurativelygemakkelijk, zonder beslommeringen
“Zij leiden daar een bruin leven!”
- figurativelyeen donker gelaat of uiterlijk hebbend, opgevat als een etnisch kenmerk
“Als ze met een klasgenootje mee naar huis gaat om bij haar in de tuin te schommelen, wordt het meisje door haar moeder binnengeroepen en keert zij even later terug met de mededeling dat Zon/Sonja weg ”
- met betrekking tot het nationaalsocialisme of fascisme
“de oorlog mag dan passé zijn, de rassenwaan en het andere ideeëngoed van de nazi's is nog geenszins overwonnen. In deze roman zijn het, naast Frau Behrend, vooral de kleine neringdoenden en cafébezoek”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bruinen
- form-ofgebiedende wijs van bruinen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bruinen
Vormenbruinen(plural) · bruintje(diminutive, singular) · bruintjes(diminutive, plural)