diˈne
Originvan Frans dîner, in de betekenis van ‘avondmaaltijd’ aangetroffen vanaf 1782
- warme avondmaaltijd
“Mijn schoonfamilie vond het diner behoorlijk sjiek, ze zochten dure woorden die zij passend vonden. Een neef van mijn partner riep uit dat hij het woord wist: „Haute couture.””
“De tafels zijn hoopvol gedekt voor het diner, maar truckersrestaurant Le Mistral straalt een zekere mismoedigheid uit.”
- feestmaal met gasten
“De gemeenteraadsfractie van de ChristenUnie SGP stelt vragen over de besteding van de budgetten door de gebiedscommissies aan het stadsbestuur. Aanleiding is een diner dat de gebiedscommissie Hilleger”
“De opsmuk van een uitgebreid diner was deze keer niet aan hen besteed.”
- avondmaaltijd in het algemeen
“Wij aten ons diner in het hotel.”
Formsdiners(plural) · dinertje(diminutive, singular) · dinertjes(diminutive, plural)