/ˈɛɪkəɫ/
Herkomst[1] van Middelnederlands eikel, verkleinvorm van eik met het achtervoegsel -el, in de betekenis van ‘vrucht van de eikenboom’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- vrucht van de eikenboom
“De eikels lagen voor het oprapen.”
- top van de penis
“Met een watje en lauw water de eikel schoonmaken.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eikelen
- form-ofgebiedende wijs van eikelen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eikelen
Vormeneikels(plural) · eikeltje(diminutive, singular) · eikeltjes(diminutive, plural)