ˈɛmər, /ˈɛmər/, /ˈɛmər/
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘vat’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- buisvormig taps toelopend vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
“Moe van het ramen lappen zette hij de emmer weg.”
“Met kerst gaf ze een kerstdiner met gasten aan een grote tafel, waarbij kerstliedjes werden gezongen en kerstverhalen voorgelezen bij de boom met echte kaarsjes, een emmer bluswater binnen handbereik ”
“Een brede kerel kwam het pad oplopen met twee grote emmers water in zijn handen.”
- Triticum dicoccum Schrank ex Schuebl. syn. Triticum turgidum subsp. dicoccon is een tetraploïde tarwesoort, met wilde en gecultiveerde varianten
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van emmeren
- form-ofgebiedende wijs van emmeren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van emmeren
- op Emmen betrekking hebbend
Vormenemmers(singular) · emmertje(diminutive) · emmertjes(diminutive, singular)