ˈɛŋəl
Herkomstvia Middelnederlands engel / inghel en Latijn angelus van Oudgrieks ἄγγελος (ángelos) "bode, afgezant", in de betekenis van ‘bode van God’ voor het eerst aangetroffen in 1200
- geestelijk hemels wezen dat God dient en bemiddelt tussen God en mens
“Dat is vast voorkomen door een engel.”
“Net als Scrooge in A Christmas Carol van Charles Dickens werd ik door drie engelen bezocht tijdens mijn tocht: de engel van het verleden, die van het heden en die van de toekomst.”
- euphemisticiemand die grote daden van naastenliefde doet
“Je bent een engel als je je buurvrouw elke dag verzorgt.”
Vormenengelen(plural) · engeltje(diminutive, singular) · engeltjes(diminutive, plural)