flʏːrt
Herkomstzn: van Engels flirt zn
**m: naamwoord van handeling van flirten ww
- personiemand die graag met een ander vrijblijvend doet alsof ze erotisch tot elkaar worden aangetrokken
“De verdachte buigt het hoofd – in de zittingzaal is hij een schim van de flirt die hij op de gang was.”
- vrijblijvend gedrag waarmee je de indruk wekt dat je een ander erotisch aantrekkelijk vindt
“En in het meervoudige perspectief met verschillende verhaallijnen is de voornaamste dramatische lijn de flirt die de koningin heeft met een knappe kunstenaar.”
“Als puber ging mijn zus aan de flirt, ze had altijd mensen om zich heen.”
- figurativelyhandelingen die de indruk maken dat belangstelling is voor verdergaande betrekkingen
“Ook in Nederland lijkt de flirt met radicaal rechts onder christenen over zijn hoogtepunt heen.”
“Dat de flirt met warmbloedige soulblues van Di-Rect verre van kortstondig is, blijkt ook uit het nieuwe werk.”
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van flirten
- form-ofgebiedende wijs van flirten
Vormenflirten(singular) · flirtje(diminutive) · flirtjes(diminutive, singular)